Welkom

Akoestiek

Geluidsisolatie

Kooiconstructie

Randapparatuur 1

Randapparatuur 2

Monitors

Patchbays

Terminologie

Midi

VST

VST Downloads

Wist je dat?

Homestudio's Pics

Events & boekingen

Links

Gastenboek/ Forum

Radio piraten

 
 
Waarom heb je een Patchbay nodig?
 
Een vaak vergeten, maar o-zo handig apparaat in de homestudio, kan een patchbay zijn. Een patchbay zorgt ervoor dat je toegang hebt tot de input's en output's van al je studioapparatuur vanaf één centrale plaats. Dit kan je apparatuur niet alleen redden van bovenmatige slijtage, maar staat je ook toe  om veranderingen tijdens een opname of weergave snel en gemakkelijk aan te brengen.  tegelijkertijd is een patchbay makkelijk om in je homestudio te hebben als op een dag plotseling blijkt dat je meer uitgangen tot je beschikking hebt dan ingangen op je mengtafel. Ook zou je dankzij de patchbay niet meer over de vloer onder je mengtafel  hoeven te kruipen om allerlei halsbrekende aansluit veranderingen te maken. De patchbay houdt in zekere zin je homestudio netjes, want je hoeft niet meer bang te zijn voor een wirwar van losliggende kabels.
Bovenstaande patchbay is de Behringer Pro PX3000. Deze gebruik ik hier als voorbeeld omdat dit apparaat ook in mijn homestudio staat. De Pro PX3000 heeft twee rijen (A & B) met elk 24 symmetrische stekkerbussen op een 19" rackpaneel van één HE. Op de achterzijde bevindt zich eenzelfde aantal symmetrische stekkerbussen als op de voorzijde. Telkens vier van deze stekkerbussen zijn samengevat tot één kanaal. Elk kanaal heeft een schakelaar die zich op de bovenzijde van de patchbay bevindt (zie figuur 1). Door bediening van deze schakelaar kunnen de kanalen tussen drie verschillende modi worden geschakeld: Normal (genormaliseerd), Half Normal (half genormaliseerd) en Thru (doorverbonden). De studioapparaten worden aan de achterzijde aangesloten. Door korte verbindingskabels, zogenaamde 'patchkabels', in te pluggen aan de voorkant van de patchbay worden de gewenste verbindingen tot stand gebracht.
Let er bij gebruik van meerdere patchbays op dat de patchkabels bij gangbare configuraties niet kriskras over de stekkervelden heen hangen. Rangschik de kanalen onderling op een zodanige manier dat je de contacten tussen meerdere patchbays tot stand kunt brengen zonder grote afstanden te moeten overbruggen.
 
 
 
In de normal-modus zijn de contacten van de achter gelegen stekkerbussen A & B van een kanaal met elkaar verbonden (Pos.1). De verbinding tussen de beide achterste stekkerbussen wordt verbroken, zodra een kabel in de bovenste en onderste stekkerbus aan de voorkant wordt ingeplugd (Pos. 2 en 3). In het voorbeeld hieronder zijn in de kanalen 1 t/m 4 (in de bovenste rij) de uitgangen van een keyboard en van een midi-module aangesloten. Zij worden in de standaardconfiguratie rechtstreeks naar de mengpaneelkanalen (in de onderste rij) 1 t/m 4 geleid.
Op de kanalen 5 en 6 bevinden zich de verbindingen tussen de subgroepenuitgangen van een mengpaneel en de ingangen van een computergeluidskaart. Met behulp van audiosequencer software wordt de muziek op de harde schijf van de computer opgenomen. In kanaal 7 en 8 zijn de geluidskaartuitgangen met de 2-track-ingang van het mengpaneel verbonden. Omdat in deze modus de stekkerbussen aan de achterkant binnen de patchbay met elkaar verbonden zijn (Pos.1), kunnen de subgroepsignalen rechtstreeks in de  worden opgenomen en via de 2-track-ingang van het mengpaneel (Playback of monitoring) worden weergegeven zonder dat er ook maar één kabel hoeft te worden ingeplugd! Op deze manier kun je in je homestudio een basisconfiguratie opbouwen die op een willekeurig moment kan worden gewijzigd door signaalafname aan de voorkant (Pos.2) of door toevoer van andere signalen met behulp van patchkabels  (Pos.3). Zo zou je bijvoorbeeld het keyboardsignaal via de kanalen 3 en 4 kunnen laten lopen door de contacten 1A met 3B en 2A met 4B te verbinden. Je zou daarom voor het tot stand brengen van de bekabeling in je studio zorgvuldig moeten overwegen welke verbindingen frequent worden gebruikt zodat je deze op de patchbay boven elkaar kunt plaatsen. Op die manier behoudt je ten alle tijde het overzicht en je flexibiliteit.
 
In de half genormaliseerde modus zijn de contacten van de beide stekkerbussen aan de achterkant mat elkaar verbonden (Pos.1). Wordt een stekker in de bovenste stekkerbus aan de voorkant ingeplugd, dan wordt- anders dan in de normal modus- de verbinding tussen de beide bussen aan de achterkant niet onderbroken (Pos.2). Pas wanneer de onderste bus aan de voorkant wordt gebruikt, wordt het pad aan de achterkant onderbroken (Pos.3), dan hebben respectievelijk de beide bovenste en de beide onderste stekkerbussen contact (Pos.4).
 
Deze instelling wordt meestal gebruikt voor invoegpaden en als 'input break' aangeduid. Een op die manier via de patchbay lopend invoegpad maakt een parallelle afname van het signaal uit het betrffende kanaal van het mengpaneel mogelijk zonder dat de signaalstroom in het kanaal wordt onderbroken. In het bovenstaande aansluitschema bevinden zich op de kanalen 9 t/m 14 de invoegpunten (Inserts) van de mengpaneelkanalen 1t/m 4 en de inserts van de mengpaneelsom. Wanneer je een kabel in de bovenste stekkerbus steekt, wordt het signaal naar buiten geleid. De signaalstroom tussen het bovenste en onderste contact wordt echter niet onderbroken. Het signaal loopt dus rechtstreeks terug naar het mengpaneel (Pos.2). Op die manier kun je je mengpaneel voorzien van directe uitgangen, terwijl tegelijkertijd het signaal hoorbaar blijft. De insert returns (terugvoerpaden) kunnen ook als alternatieve line-ingangen worden gebruikt door heel eenvoudig een stekkerkabel in de onderste stekkerbus te pluggen (Pos3). De main-uitgangen van het mengpaneel worden rechtstreeks naar het masterapparaat (in dit voorbeeld een minidiscrecorder) geleid. Zij kunnen echter ook parallel worden afgetakt en met een ander opnameapparaat worden verbonden. De ingangen van de minidisc-recorder staan tevens ter beschikking voor andere opnamebronnen die via de onderste modules 15 en 16 kunnen worden geleid.
Deze modus dient voor het aansluiten van geluidsbronnen of afspeelapparaten (bijv. CD speler) die zelf niet over ingangen beschikken. Op die manier kan men plaatsbesparend de linker en rechter uitgang via een patchbaykanaal laten lopen (limks boven, rechts onder) of twee apparaten boven elkaar positioneren. Effectapparaten, compressoren en equalizers kunnen in deze configuratie zodanig worden geplaatst dat de in- en uitgangen boven elkaar liggen. In het aansluitschema hierboven worden via de kanalen 17 t/m/ 20 de uitgangen van de afspeelapparaten (CD en Minidisc) alsmede de individuele uitgangen van een sampler aangesloten. Via de kanalen 21 t/m 24 lopen de aansluitingen van de dynamische en klankbewerkende apparatuur die gewoonlijk wordt verbonden met de inserts van het mengpaneel.
 
 
Zorg dat je aardlussen voorkomt. Haal nooit de massadraad in een geaard snoer los om een 50 Hz-brom te elimineren; beter is het om bij één of meerdere audiosnoeren de afscherming los te halen. Het is aan te bevelen om alle afschermingen/aardpunten via een centraal aardpunt te leiden, alle niet geaarde apparaten zijn dan via hun verbinding met dit aardpunt geaard. Deze massacontacten moeten echter via één enkele kabel worden gemaakt (meer dan één verbinding is brom). Bij geaarde apparaten moeten alle afschermingen aan de apparaatzijde worden gescheiden. De gebruikte patchkabels moeten zo kort mogelijk zijn en de afscherming moet aan beide zijden verbonden zijn. Let goed op als je verschillende apparaten op elkaar aansluit; vanwege hun veelzijdigheid kun je -10 dB units naar +4dB units aansluiten en omgekeerd. Dit betekent dat je altijd de in- en outputniveaus moet controleren voordat je verder gaat. Markeer je patchpunten zorgvuldig dat scheelt je een hoop tijd.

[Events & boekingen] [Gastenboek/ Forum]